Van rennen

Tri toch maar nie

Ik ging dus even een tijdje niet voetballen omdat het zomerstop was, en ook omdat ik ging trainen voor de triathlon. Zwemmen, fietsen, wisselen – elke training was leuk en ik keek uit naar 29 augustus. Maar in plaats van die dag mijn eerste 1/8e triathlon te doen, zit ik dan in Zürich. Ik had al besloten me af te melden, voor de andere plannen werden gemaakt. Niet omdat ik niet durfde, of niet wilde, maar omdat het me werd afgeraden. Zwemmen is prima, hardlopen kan wel, maar racefietsen en voetballen kan beter even niet.

Als alternatief ben ik zaterdagochtend naar zwangerschaps-bootcamp gegaan. De hele zondag had ik nog er nog plezier van, en ook gisteren was de spierpijn niet helemaal verdwenen. Vanavond weer!

 

Zwemles

Het is zomer. Dat is op zich leuk, maar heeft ook één immens groot nadeel: het is warm als ik ga rennen. En ik hou niet van warm als ik ga rennen. Ik ben immers een winterloper. Zondag liep ik, samen met de buurvrouw, de letterenloop. Daar liep ik een wonderbaarlijk acceptabele tijd, en een zonnesteek op (ter info: ik pas hier een zeugma toe, een stijlfiguur voor gevorderden).

Wat ik in de zomer wel graag doe is: zwemmen. Dat kan ik matig. Hoewel ik met mijn C-diploma de hoogst gekwalificeerde zwemmer in ons gezin was, kan ik tegenwoordig nog ongeveer twee baantjes borstcrawl voor ik aan de beademing moet (een herstel-baantje schoolslag werkt ook). Op mijn werk hebben we een buitenbad waar ik heel wat zomerse lunchpauzes baantjes trek. Vorig jaar raakte ik in gesprek met een mevrouw die het goed bedoelde toen ze zei: “het is helemaal niet erg dat je techniek zo slecht is, dan is het eigenlijk nog beter voor je conditie”. Lees meer

Uit goedheid van mijn hart

Zondagochtend, half negen. Ik stuur de buurvrouw een bericht: na de gewonnen wedstrijd van zaterdag voelde ik mijn heup weer, dus ik zou een keer verstandig doen en niet gaan rennen. Een zielige reactie over snot en moeheid volgde, en ik zei “zal ik anders toch mee?”. Dat hoefde niet, want ik had ‘pijn’. Maar zó erg was het ook weer niet. En het was zulk heerlijk weer. En ik kon ook gewoon voor de tien, en dan een uur lang mensen over de finish schreeuwen.

Lees meer

Trainingstekort

Vorige week, toen we na onze loopband-intervalsessie op de mat lagen uit te hijgen, probeerde de buurvrouw mij voor de zoveelste keer over te halen mijn voetbalteam aan de kant te schuiven en me volledig op het hardlopen te storten. “Het is zo eenzaam aan de top” klaagde ze. Dat ik daar in tien dagen niet bij zou kunnen aansluiten was bijzaak – een poging wagen, daar ging het om. Lees meer

Serieus hardlopen

Hoewel mijn goede voornemen vorig jaar was om minimaal 520 kilometer te rennen, en ik dat door er in december als een malloot nog even 91 te lopen ook daadwerkelijk heb gehaald, beschouw ik mezelf nog altijd niet als een hardloper. Ik ren af en toe een rondje, voor de lol. Per ongeluk trainde ik tot een halve marathon, omdat de buurvrouw nu eenmaal een loopmaatje nodig had in haar marathonvoorbereiding.

Op de laatste zondag van het jaar liepen we van Brink tot Brink, van Deventer naar Bathmen. Ik liep met de ene buurvrouw, passeerde de moeder van de ander en finishte in een prima 54.45. En toen gingen we niet zoals een weldenkend mens zou doen met de bus terug, maar op diezelfde benen die dat stuk net al hadden gelopen. De buurvrouw en haar moeder trainen voor een halve marathon in Kaapstad (doneer en lees hier!) maar ik train voor niks. Lees meer

Op schema

Om aan het eind van het jaar daadwerkelijk te kunnen kijken of ik me aan mijn voornemens heb gehouden en mijn doelen heb behaald, plaatste ik op 1 januari mijn lijstje goede voornemens.

We zitten inmiddels op de helft, een mooi moment om te kijken of ik wel op schema lig.

Behaald:
  • Een grotemensenhuis kopen: YEAH! Op 1 september krijgen we de sleutel!!
  • Zelf loempia’s maken: op 4 januari al gedaan, een succes.
    Wel wil ik ook nog springrolls maken van rijstpapier.
  • Een echte halve marathon lopen: op 27 april in Enschede volbracht (in 2.03.34)
Op schema: 
  • Minimaal 520 kilometer rennen: inmiddels staat de teller op 351.3
Ongeveer op schema:
  • Drie artikelen schrijven: het zijn er nu wel anderhalf-bijna-twee, maar de tijd vliegt…
  • Minstens vier soorten brood bakken: kwarkbroodjes, bananenbrood en ‘saai bruin brood’, maar dit kan veel beter.
Niet mee bezig: 
  • Accepteren dat ik 30 word. Als je daar niet mee bezig bent, gaat het misschien wel vanzelf?
Dit kan pas na 1 september, want nieuw huis:
  • Een kippenhok timmeren: dat wordt waarschijnlijk pas volgend voorjaar.
  • Op tijd boerenkool planten: moet lukken! 

Al met al geen slechte score.

Half

Een goede voorbereiding is het halve werk. Een halve voorbereiding is dan denk ik een kwart van het werk. Als ik half had getraind voor een ultraloop van 85 kilometer zou dat genoeg zijn geweest. Maar ik liep een halve marathon. Half getraind.

Hoewel ik aan het begin van het jaar het lopen van een echte halve marathon als voornemen had, was er nog geen concreet plan voor waar en wanneer precies. Eigenlijk dacht ik dat dat in december altijd nog kon. Maar toen kreeg ik een mailtje van mijn werk, ik kon meelopen via de arbodienst. Waarom ook niet? In de periode daarna had ik mijn handen vol aan deadlines en een conferentie in het buitenland, en naast de voetbaltrainingen echt geen tijd (en zin…) om ook nog te gaan rennen. Had ik nog niet wat conditie over van januari, toen ik ook wel ongeveer 20 km kon? Twee lange duurlopen en daarna een week met alleen wat voetbal en dat was het.

Over mijn strategie was ik nog aan het nadenken in het startvak: proberen bij de 2.00-pacer te blijven, en afzakken indien nodig, of juist de 2.05 volgen en versnellen als het nog kon? Het werd: ertussenin lopen, bij 4km een dixie in en daarna geen idee meer hebben waar ik liep. Voor ik het wist waren we in het bos en in Lonneker, vanaf een kilometer of 13 begon ik met aftellen. Eigenlijk te vroeg. En daar kwam ‘het lange saaie stuk’ waar ik van alle kanten voor was gewaarschuwd. Niet overdreven. Heel lang. Heel saai. Heen en terug. Met gelukkig een collega in de middenberm, die twee keer riep dat ik dit heus wel kon. En de toezegging van een ander daar ‘ergens in de bocht’ te staan, waardoor ik het vertikte te wandelen, hoe graag ik dat eigenlijk ook wilde. Intussen, na een kilometer of 17, was ik zo vertraagd dat de 2.05-pacer mij bijna inhaalde. Een fijne motivatie, want hem wilde ik zeker voor blijven. Die laatste twee kilometer nog een flinke versnelling, en op het eind een dikke sprint omdat de bruto-tijd op 2.09.35 stond en ik wel voor 2.10 binnen wilde zijn. Net niet gelukt, 2.10.01. Netto: 2.03.34. Zeer zeker niet ontevreden! Voor de volgende train ik wel, en ga ik voor onder de twee uur.

Dit is een heroïsche foto
Dit is een heroïsche foto

Mentaliteit

Ik kon het. Eigenlijk kon ik het best goed. Beter dan ik deed. Het is dus jammer dat mijn wedstrijdmentaliteit meestal pas achteraf komt. Vooraf zei ik: “ik wil die achttien-en-een-halve kilometer graag onder de 1 uur 50, en 1.45 zou echt heel mooi zijn, maar hee, het zijn heuvels en ik heb snot en ik heb nog nooit zo ver gelopen dus als ik ‘m uitloop zonder te wandelen ben ik al zeer tevreden”. En dat denk ik dan ook te menen. Dus de eerste minuut nadat ik met een eindtijd van uiteindelijk 1.52.17 over de finish kwam was ik dat ook. En toen dacht ik: verrek. Ik ben pas de laatste drie kilometer gaan versnellen, waarom niet eerder? En waarom liep ik die eerste tien niet ruim ónder het uur, in plaats van die tergend trage 1.02.39? Als ik dáár nu iets harder had gelopen én eerder was gaan versnellen…

Maar onderweg dacht ik dat niet. Ik was blij dat het redelijk vanzelf ging, dat ik zonder te denken vooruit kwam, dat ik genoeg had aan die vier zakdoekjes, dat ik kon lachen met een paar politiemannen en me kon vergapen aan honderd soorten billen in een fascinerend assortiment aan broeken en leggings. Soms zei een stemmetje in mijn achterhoofd “6.04, dat is te veel” en dan zei een ander stemmetje “ja maar … heuvels, snot, we gaan straks weer omlaag en dan haal ik het heus weer in” en “ach, vier seconden” en “maar het is ook nog heel ver”. Daar had ik dus niet naar moeten luisteren. Want nu, achteraf, zijn mijn benen niet zo moe als had gekund en als ik eigenlijk had gewild. Volgende keer ga ik helemaal stuk.

Het gaat wel lukken

Morgen ga ik heel ver rennen. Eigenlijk maar 500 meter verder dan drie weken geleden, en anderhalve kilometer verder dan vorige week. Beide keren was ik niet doodop na afloop. Beide keren was het ook geen wedstrijd. Beide keren was het ook niet in een heuvelachtig bos. Beide keren was ik ook niet snotverkouden. Beide keren had ik wel Sam naast me, met een hartslagmeter die ons tempo bepaalde.

Morgen moet ik het alleen doen. Met allemaal vreemden die op tempo’s lopen die ik niet ken en waarvan ik niet weet of ik ze moet volgen, laten gaan, of inhalen. In een omgeving waar ik geen idee heb hoe ver ik ben en hoe lang het nog is. Met de mevrouw van mijn Nike-running-app als mijn beste vriendin, die me vertelt hoe hard ik loop en hoe ver ik al ben en die me liedjes geeft waar ik blij van word. Het gaat wel lukken. Ik kan dit best. Met of zonder snot.

Waarom ook niet

“Ik ben een winterpeen” suggereerde mijn telefoon, toen ik de buurvrouw wilde schrijven dat ik een winterloper ben. Dat schreef ik als onderdeel van de overwegingen over deelname aan de marathon van Berlijn. Marathon. Het doel was dit jaar toch een halve? Goed punt. Maar ook: waarom ook niet? En daarbij: als ik een hele loop, heb ik die halve ook maar mooi te pakken. Twee vliegen in één klap, win-win-situatie, et cetera. Maar vooral: waarom ook niet? Ik geniet inmiddels van lange afstanden, plak extra stukken aan korte rondjes omdat ik er dan pas lekker in kom, kijk uit naar een duurloop en vind mijn hardloopschoenen de mooiste die ik heb.

Alleen: ik ben een winterloper. Met weinig maak je mij op hardloopweergebied zo blij als een heldere, koude ochtend. Een gewoon zonnetje kan wel, maar die vieze zomerhitte: bah. Op zo’n benauwde dag waarop alleen een onweersbui verlossing kan bieden ga ik pas tijdens of na het onweer naar buiten. In de zon lopen doe ik zelden. De marathon van Berlijn is op 28 september. Zowel meteorologisch als astronomisch is het op dat moment herfst. De gemiddelde temperatuur ligt daar dan tussen de 10 en 19 graden. Dat vind ik al aan de warme kant, laat staan de voorbereidingskilometers die ik in de Hollandse brandende zomerzon zal moeten maken. Sam probeert me nog wijs te maken dat ik Rotterdam ook wel kan proberen. Over elf weken. Het weer van nu ligt me wel stukken beter. Maar vorig jaar liepen wij op de dag van die marathon de IJsselloop en klaagden steen en been over de onverwachte hitte. Dat kan ook dit jaar gebeuren. En andersom kan het best op 28 september ineens lekker fris zijn. Dus. Niets zo onvoorspelbaar als het weer (en mijn hardloopplannen).