Mentaliteit

Ik kon het. Eigenlijk kon ik het best goed. Beter dan ik deed. Het is dus jammer dat mijn wedstrijdmentaliteit meestal pas achteraf komt. Vooraf zei ik: “ik wil die achttien-en-een-halve kilometer graag onder de 1 uur 50, en 1.45 zou echt heel mooi zijn, maar hee, het zijn heuvels en ik heb snot en ik heb nog nooit zo ver gelopen dus als ik ‘m uitloop zonder te wandelen ben ik al zeer tevreden”. En dat denk ik dan ook te menen. Dus de eerste minuut nadat ik met een eindtijd van uiteindelijk 1.52.17 over de finish kwam was ik dat ook. En toen dacht ik: verrek. Ik ben pas de laatste drie kilometer gaan versnellen, waarom niet eerder? En waarom liep ik die eerste tien niet ruim ónder het uur, in plaats van die tergend trage 1.02.39? Als ik dáár nu iets harder had gelopen én eerder was gaan versnellen…

Maar onderweg dacht ik dat niet. Ik was blij dat het redelijk vanzelf ging, dat ik zonder te denken vooruit kwam, dat ik genoeg had aan die vier zakdoekjes, dat ik kon lachen met een paar politiemannen en me kon vergapen aan honderd soorten billen in een fascinerend assortiment aan broeken en leggings. Soms zei een stemmetje in mijn achterhoofd “6.04, dat is te veel” en dan zei een ander stemmetje “ja maar … heuvels, snot, we gaan straks weer omlaag en dan haal ik het heus weer in” en “ach, vier seconden” en “maar het is ook nog heel ver”. Daar had ik dus niet naar moeten luisteren. Want nu, achteraf, zijn mijn benen niet zo moe als had gekund en als ik eigenlijk had gewild. Volgende keer ga ik helemaal stuk.

2 reacties

  1. Marieke zegt:

    Nou… ik ga wel heel even stuk in mijn eindsprint, maar waarom gebruik ik die energie niet eerder en langer?? Veel te snel weer hersteld altijd. Lachend met zwabberarmpjes over de finish, dat ga ik dus niet meer doen!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *