Half

Een goede voorbereiding is het halve werk. Een halve voorbereiding is dan denk ik een kwart van het werk. Als ik half had getraind voor een ultraloop van 85 kilometer zou dat genoeg zijn geweest. Maar ik liep een halve marathon. Half getraind.

Hoewel ik aan het begin van het jaar het lopen van een echte halve marathon als voornemen had, was er nog geen concreet plan voor waar en wanneer precies. Eigenlijk dacht ik dat dat in december altijd nog kon. Maar toen kreeg ik een mailtje van mijn werk, ik kon meelopen via de arbodienst. Waarom ook niet? In de periode daarna had ik mijn handen vol aan deadlines en een conferentie in het buitenland, en naast de voetbaltrainingen echt geen tijd (en zin…) om ook nog te gaan rennen. Had ik nog niet wat conditie over van januari, toen ik ook wel ongeveer 20 km kon? Twee lange duurlopen en daarna een week met alleen wat voetbal en dat was het.

Over mijn strategie was ik nog aan het nadenken in het startvak: proberen bij de 2.00-pacer te blijven, en afzakken indien nodig, of juist de 2.05 volgen en versnellen als het nog kon? Het werd: ertussenin lopen, bij 4km een dixie in en daarna geen idee meer hebben waar ik liep. Voor ik het wist waren we in het bos en in Lonneker, vanaf een kilometer of 13 begon ik met aftellen. Eigenlijk te vroeg. En daar kwam ‘het lange saaie stuk’ waar ik van alle kanten voor was gewaarschuwd. Niet overdreven. Heel lang. Heel saai. Heen en terug. Met gelukkig een collega in de middenberm, die twee keer riep dat ik dit heus wel kon. En de toezegging van een ander daar ‘ergens in de bocht’ te staan, waardoor ik het vertikte te wandelen, hoe graag ik dat eigenlijk ook wilde. Intussen, na een kilometer of 17, was ik zo vertraagd dat de 2.05-pacer mij bijna inhaalde. Een fijne motivatie, want hem wilde ik zeker voor blijven. Die laatste twee kilometer nog een flinke versnelling, en op het eind een dikke sprint omdat de bruto-tijd op 2.09.35 stond en ik wel voor 2.10 binnen wilde zijn. Net niet gelukt, 2.10.01. Netto: 2.03.34. Zeer zeker niet ontevreden! Voor de volgende train ik wel, en ga ik voor onder de twee uur.

Dit is een heroïsche foto
Dit is een heroïsche foto

Spanning

Hoewel ik de afgelopen maand naar Praag, New York en Philadelphia ben geweest, was de reis naar Rotterdam gisteren de spannendste in tijden. Met kriebels in mijn buik en drie spandoeken in mijn tas wachtte ik op de waterbus, die aan ons voorbijvoer en een kade vol gefrusteerde marathonkijkers achterliet. Een half uur later mochten we er wel op, maar bij aankomst wachtte ons een inmiddels verlaten Erasmusbrug. Alleen een oud mannetje, misschien moest hij nog even plassen voor de start, kwam er nog aangekacheld.
We liepen even doelloos wat heen en weer en positioneerden ons vervolgens bij het viaduct dat het 27-kilometerpunt markeerde. Ik begon met het ‘HUP SAM’-spandoek, maar verruilde het snel voor ‘JIJ KAN DIT’. Dat is immers voor iedereen leuk. Zeker als je al 27 kilometer hebt gehad. We zagen razendsnelle Kenianen, als ze het al zouden begrijpen gingen ze te hard om het te kunnen lezen, en na een paar gaten tussen kopgroepen kwam daar De Hele Horde. Een enorme stroom rennende mensen. Met hier een daar iemand die een wandelpauze nam. Iemand die uit de rij sprong om in de bosjes te plassen. Iemand die een banaan at en de schil omhoog gooide. Mensen die zwaaiden naar bekenden en/of camera’s. Mensen die naar mijn spandoek riepen JA IK KAN DIT. Mensen die ik kende, van foto’s op Instagram en blogs. Mensen die uren, weken, maanden, kilometers hadden getraind. En die allemaal al ruim over de helft waren. Op tweederde bijna. Op zevenentwintig kilometer precies. Er liepen pacers met ballonnen die een eindtijd aangaven. 3.30. 3.45. 4.00. 4.15. En daar was Sam. En de brok in mijn keel. SAMMETJE! schreeuwde ik. HUP SAM, schreeuwde mijn spandoek. JIJ KAN DIT schreeuwde het andere. En ik was heel, heel trots. Nog steeds.

Top

Een collega zei me dat hij een goed recept met aubergine voor me had. Ik vind aubergine heel erg lekker, dus riep “oooooh! Aubergine hoort bij mijn lievelingsgroenten! Het staat echt in mijn top …”. En toen moest ik nadenken. Want in mijn top hoeveel staat aubergine eigenlijk? Als ik een lijstje moet maken van alle groenten die ik lekker vind, staat ‘ie er zeker tussen. Maar op basis waarvan maak ik een ranking? Vind ik aubergine lekkerder dan spruitjes, pompoen, pastinaak, erwtjes, wortels, bietjes, courgette, spinazie, meiknolletjes, aardperen, paprika, asperges, veldsla, schorseneren, knolselderij, mais, rabarber, bloemkool, andijvie, komkommer, linzen, witlof, boerenkool, tomaatjes, rucola, rode kool, mais, …?? Tuinbonen (vooral als ze te lang zijn doorgegroeid en zo dik en melig zijn geworden) staan, als niet-lekkere-groente, onderaan, maar verder is het toch behoorlijk lastig.

(ik weet ook wel dat dit courgettes zijn)

Dus ik ging op zoek naar een strategie om die rangorde te bepalen. Hoe doen ze dat eigenlijk bij andere top-zoveel-lijstjes? Een lijst op basis van cijfers is vrij eenvoudig, hoewel ik ook denk dat het voor de quote-500 samenstellers een hele puzzel is om uit te zoeken hoeveel geld iemand precies heeft. De muziek-top40 wordt voor zover ik weet nog steeds samengesteld op basis van verkoopcijfers, en ook dat lijkt me redelijk eenduidig (hoewel daar ook heel wat haken en ogen aan zitten, met downloadgesjoemel en ander gedoe). Maar ik kan mijn groente-top-hoeveeldanook niet bepalen op basis van hoeveel ik ervan eet. Dat is veel te afhankelijk van wat er in het groentepakket zit, wat er rijp is in de tuin en wat er verder nog in huis is en op moet. Toen dacht ik: wat als ik nog maar één soort groente mocht eten? Dat is een onmenselijke vraag. En daarbij: dat leidt tot praktische overwegingen, zoals “aardappel kun je bakken, koken, poffen, als rosti, in een omelet…” die niet gebaseerd is op lekkerheid maar eerder op een rationele afweging van variatiemogelijkheden (is aardappel een groente? Aangezien ze het in de winkel AardappelenGroenteFruit-afdeling noemen twijfel ik hier nu over). Dus de volgende vraag was: van welke groente word ik blij als we het eten? En dan is het antwoord: eigenlijk van alles, afhankelijk van hoe mijn dag was en wat voor weer het is en wat ik daarna nog van plan ben.

Kortom: groente staat in mijn top-1 van lievelingseten. Behalve tuinbonen.

Een tuintje op het dak

De achtertuin van mijn moeder is inmiddels zo goed als helemaal betegeld. Vroeger was er een stuk aarde dat we vooral gebruikten om dode huisdieren te begraven. Moeders zette er nog wel eens een bak violen uit het tuincentrum in, maar verder was het een treurig stukje grond. Tot ik er een moestuintje van mocht maken! Ik weet nog dat ik veel te ongeduldig was, en dus keer op keer worteltjes van nog geen centimeter kon opeten (dat ze niet doorgroeien als je ze weer terugstopt heb ik destijds proefondervindelijk ontdekt). Pas toen ik de aardappels wilde uitgraven bedacht ik me dat ik die tussen de ratten-, hamster- en cavialijkjes vandaan zou moeten wroeten. Dat beteugelde mijn enthousiasme enigszins.

Maar die magie van kleine zaadjes! Die in een beetje aarde, met wat water en zon, na verloop van tijd zomaar uitgroeien tot planten waar je talloze tomaten en courgettes van kunt eten, die peulen krijgen waar je de lekkerste doperwtjes uit kunt halen en die, als je maar lang genoeg wacht (altijd langer dan je denkt) een hele wortel blijken te hebben gemaakt onder de grond.
Helaas beschik ik nog niet over een huis-met-tuin, maar op een dakterras is ook heel wat te verbouwen. Vorig jaar heb ik mij wat meer verdiept in het ‘square foot gardening’ en naast de serie losse bakken en potten een bak getimmerd waar ik twaalf vakken van 30×30 centimeter heb om mijn eigen groente te verbouwen.

2013 – in mei
2013 – in juni!

Vorig jaar zomer had ik:

  • doperwten: doppen en meteen opeten, heerlijk!
  • kerstomaatjes: fantastisch, elke dag een bakje
  • bietjes: niet zo goed gelukt, smaakten erg waterig.
  • rode peper: te laat geplant, een stuk of drie mini-pepertjes
  • courgette: een fenomenaal succes, wegens overproductie meerdere collega’s blij mee gemaakt
  • worteltjes: in de traditionele val getrapt, veel te vroeg geoogst (wel heel lekker)
  • oost-indische kers: woekerde zeer heftig, snel uitgedund, lekkere bloemen en ook nog mooi.

Daarnaast kweekte ik een paar kroppen sla en andijvie op van plantjes die ik op de markt kocht.

Voor het zaaien van boerenkool was ik te laat, en de marktman betwijfelde in september of het met de laatste stekjes die hij nog had nog wat zou worden. Het heeft lang geduurd, maar mijn boerenkooltjes zijn inmiddels groot genoeg om te oogsten!

Dat moet ook wel, want over een paar weken gaat de zomerserie de grond in. Onze vensterbank staat momenteel vol met kweekbakken: tomaten, doperwten, paprika, courgettes, aubergines (!), knolselderij (!). Daarnaast nog potjes munt, basilicum en koriander. Wortels zaai ik direct in de tuin. Ik kan niet wachten!

Doe de test

Ik ben dol op tests. Of het nu een rekentoets is, een tv-quiz of een beroepskeuzetest, niets zo leuk als vragen beantwoorden en dan bij Het Verlossende Antwoord uitkomen. Zo stond er in de Fancy wel eens de Welke-Spice-Girl-ben-jij-test en was het een fascinerende puzzel om te vinden op welke vraag ik zonder al te veel gewetenswroeging wel B in plaats van C kon antwoorden, om zo bij de juiste Mel uit te komen.

Nog steeds doe ik in willekeurige tijdschriften graag tests en quizzes, of het nu is om mijn ‘ideale vakantiebestemming’ te bepalen, er achter te komen welke sport bij mij past of op wie van de Desperate Housewives ik het meest lijk. Misschien is het beroepsdeformatie, maar ik vind het dus belangrijk dat dit Verlossende Antwoord ook klopt. Ik heb inmiddels te veel geleerd over testconstructie, het bepalen van toetsvorm en -norm en de gevolgen hiervan om me hier neutraal in op te stellen. Dus als ik na de sportkeuzetest “hoera, jij bent een tafeltennistype” in beeld krijg, is mijn hele vertrouwen in NOC*NSF verdwenen. Van wat voor vakanties ik houd wist ik zonder die test eigenlijk wel, maar er kwam wel uit wat ik had verwacht. Aangezien ik geen van de Desperate Housewives ken, ben ik alweer vergeten met wie ik me het meest zou kunnen identificeren.

Maar nu. Ik keek tv. Er was een reclame. Over kalknagelspul. Of eigenlijk: spul tegen kalknagels. En daar zeiden ze: “heeft u een kalknagel?!? Ga naar naloc.nl en doe de test!”. En hoewel dat volgens mij een test zou moeten zijn die bestaat uit een plaatje van een kalknagel met de vraag “ziet uw nagel er zo uit?” en ik al weet dat ik die niet heb, kon ik het niet laten. Ik toog naar naloc.nl en vond daar dé kalknageltest.
Om teleurstellingen te voorkomen werden mijn verwachtingen direct getemperd: “Deze test bestaat uit 4 korte vragen. De vragen hebben betrekking op de nagels waar je over twijfelt.” Eigenlijk heb ik geen nagels waar ik over twijfel (hoewel, ik twijfel of ik dat ene stukje nog met goed fatsoen ‘nagel’ mag noemen) maar ik was er nu toch.

De test bestaat uit vier vragen, met de veelzijdige antwoordopties: ‘ja’ en ‘nee’
1. Mijn nagel is (deels) verkleurd
2. Mijn nagel is dikker dan andere nagels
3. Mijn nagel is broos en breekt snel
4. (Een deel van) mijn nagel laat los

Eenvoudige wiskunde leert ons dat er zestien antwoordcombinaties mogelijk zijn. Die heb ik getest. 

4x ja:  ‘Het lijkt erop dat je een kalknagel hebt‘. No shit Sherlock.
3x ja: ‘Je hebt 3 van de 4 vragen van deze indicatieve kalknagel-test met ‘ja’ beantwoord. Op basis van je antwoorden lijkt het erop dat je last hebt van een kalknagel‘ Ongeacht waar je geen last van hebt.
2x ja: ‘Op basis van de antwoorden die je hebt gegeven, is het niet met zekerheid te zeggen of je een kalknagel hebt‘. Maar… dit is toch een test voor twijfelgevallen?
3x nee: ‘Je hebt slechts één van de vragen uit de indicatieve kalknagel-test met ‘ja’ beantwoord. Het kan zijn dat je last hebt van een kalknagel maar voor je gaat behandelen willen we je adviseren nog eens goed naar de nagel te kijken, andere oorzaken uit te sluiten en/of advies van je huisarts of pedicure in te winnen‘. Eh… zie 2x ja..? 
4x nee: ‘de antwoorden die je tijdens deze indicatieve kalknagel-test hebt gegeven lijken niet te wijzen op een kalknagel‘. Dacht ik al.

Kortom: als je er overduidelijk wel of niet een hebt, krijg je een duidelijk antwoord. Twijfel je, dan krijg je een antwoord waar je niks aan hebt. Het is maar goed dat ik vier keer ‘nee’ kon zeggen, want in naloc zou ik anders ook geen vertrouwen hebben.

Suko Oleg

Suko Oleg is een Japanse pandabeer die zich tot Pool heeft laten naturaliseren omdat de trainingsfaciliteiten voor kunstschaatsende panda’s in Gdansk nu eenmaal veel beter zijn. Erg gebruikelijk is dat kunstschaatsen niet voor een panda, want ‘sierlijk’ en ‘elegant’ zijn nu niet direct de kernbegrippen bij deze dieren. Sowieso komt kunstrijden onder dieren weinig voor. Maar Suko Oleg had een droom, en die heeft hij nagejaagd. Hoewel je het je niet kunt voorstellen bij zo’n lekker dikke, fluffige panda is Suko Oleg helemaal afgetraind en heeft hij ook zelf geleerd om zijn veters te strikken. Als je dat niet eens kunt, is een carrière in de kunstschaatswereld een onbegonnen zaak.
En toen iets met dat hij in Vancouver eigenlijk tweede was geworden maar dat de Russen daar tegen protesteerden en er nu een speciale categorie ‘dieren’ is, maar daar zo weinig deelnemers zijn dat het weer is afgelast. Arme Suko.

(Als ik heel lief zeur vertelt mijn geliefde soms een verhaaltje voor het slapen gaan. Geen wonder dat ik van hem hou.)

Kwarkbroodjes

Supermakkelijk, superlekker: kwarkbroodjes (op basis van het recept uit het hardloperskookboek).

Wat heb je nodig?

Voor de basis

  • 250 gram kwark
  • 250 gram bloem
  • 2 eieren
  • 1 zakje vanillesuiker
  • 1 zakje bakpoeder
  • 2 lepels honing

Omdat het lekker is
Ik verdeelde het beslag/deeg (qua consistentie zit het ertussenin, het lijkt nog het meest op oliebollenbeslag denk ik zo) in twee delen met verschillende ‘extraatjes’.

De verantwoorde lading:

  • 25 gram sesamzaad
  • 50 gram gedroogde cranberries
  • 50 gram hazelnoten

De minder-verantwoorde lading:

  • 25 gram sesamzaad
  • 50 gram bosbessen
  • 50 gram (okee, misschien iets meer) witte chocolade

Wat moet je doen?

Roer alles door elkaar. Maak met twee lepels bergjes op een bakplaat (met dit recept maakte ik 16 stuks). Ongeveer 15-20 minuten op 200 graden in de oven.

Wat me ook lekker lijkt: met stukjes appel of banaan (dat staat ook in het originele recept), met meer verschillende soorten nootjes en pure chocola, met kokosrasp en stukjes ananas, of juist hartig: met zongedroogde tomaatjes en olijven, met geraspte pastinaak en rozemarijn…
Hier gaan we nog meer van maken!

Smaak

Het is waarschijnlijk een kwestie van smaak. Er zullen ongetwijfeld heel wat mensen zijn die ons kringloop-interieur met opgeknapte kastjes en tafeltjes en op gemiddeld elke vierkante meter een plant afzichtelijk vinden. Ook ik zou sommige dingen in ons huis graag anders willen, en als we een huis kopen zullen we dan ook zeker geen ‘sierstuc’ nemen, laminaat leggen dat toch eigenlijk een tintje te licht is of een keuken voorzien van schmutzige plastic handgreepjes. We zijn op huizenjacht. Wat een avontuur.

De bejaarde mevrouw waar we vanmiddag gingen kijken zei zonder tanden: “ik woon hier sinds 1975 en heb er een mooi en gezellig huis van gemaakt, je kan er zo in”. Behang met marmer-print, sierstrookjes van gouden spiegeltjes, perzische tapijtjes in alle maten, gehaakte kleedjes, porseleinen ganzen/konijnen/katjes/kabouters, geborduurde schilderijen en tegeltjes die met plakband tegen de muur bleven zitten.
Ik vermoed dat ze het meende.

Mentaliteit

Ik kon het. Eigenlijk kon ik het best goed. Beter dan ik deed. Het is dus jammer dat mijn wedstrijdmentaliteit meestal pas achteraf komt. Vooraf zei ik: “ik wil die achttien-en-een-halve kilometer graag onder de 1 uur 50, en 1.45 zou echt heel mooi zijn, maar hee, het zijn heuvels en ik heb snot en ik heb nog nooit zo ver gelopen dus als ik ‘m uitloop zonder te wandelen ben ik al zeer tevreden”. En dat denk ik dan ook te menen. Dus de eerste minuut nadat ik met een eindtijd van uiteindelijk 1.52.17 over de finish kwam was ik dat ook. En toen dacht ik: verrek. Ik ben pas de laatste drie kilometer gaan versnellen, waarom niet eerder? En waarom liep ik die eerste tien niet ruim ónder het uur, in plaats van die tergend trage 1.02.39? Als ik dáár nu iets harder had gelopen én eerder was gaan versnellen…

Maar onderweg dacht ik dat niet. Ik was blij dat het redelijk vanzelf ging, dat ik zonder te denken vooruit kwam, dat ik genoeg had aan die vier zakdoekjes, dat ik kon lachen met een paar politiemannen en me kon vergapen aan honderd soorten billen in een fascinerend assortiment aan broeken en leggings. Soms zei een stemmetje in mijn achterhoofd “6.04, dat is te veel” en dan zei een ander stemmetje “ja maar … heuvels, snot, we gaan straks weer omlaag en dan haal ik het heus weer in” en “ach, vier seconden” en “maar het is ook nog heel ver”. Daar had ik dus niet naar moeten luisteren. Want nu, achteraf, zijn mijn benen niet zo moe als had gekund en als ik eigenlijk had gewild. Volgende keer ga ik helemaal stuk.

Het gaat wel lukken

Morgen ga ik heel ver rennen. Eigenlijk maar 500 meter verder dan drie weken geleden, en anderhalve kilometer verder dan vorige week. Beide keren was ik niet doodop na afloop. Beide keren was het ook geen wedstrijd. Beide keren was het ook niet in een heuvelachtig bos. Beide keren was ik ook niet snotverkouden. Beide keren had ik wel Sam naast me, met een hartslagmeter die ons tempo bepaalde.

Morgen moet ik het alleen doen. Met allemaal vreemden die op tempo’s lopen die ik niet ken en waarvan ik niet weet of ik ze moet volgen, laten gaan, of inhalen. In een omgeving waar ik geen idee heb hoe ver ik ben en hoe lang het nog is. Met de mevrouw van mijn Nike-running-app als mijn beste vriendin, die me vertelt hoe hard ik loop en hoe ver ik al ben en die me liedjes geeft waar ik blij van word. Het gaat wel lukken. Ik kan dit best. Met of zonder snot.